Geschiedenis

bron: Vanmarcke, Antoon (1982), Geschiedenis van Menen 1878 - 1977.

De oudste gegevens die wij kunnen terugvinden over de brandbestrijding in Menen, komen uit een verordening besproken in het Collegie van Burgemeester en Schepenen van 30 oktober 1778. In die verordening wordt iedere inwoner van de stad op zijn verantwoordelijkheden en verplichtingen gewezen. De brandbestrijding werd toevertrouwd aan de hoofden van de verschillende ondernemingen die elk volgens zijn specialiteit bepaalde taken toegewezen kreeg, onder leiding van de magistraten van de stad. In artikel VI en IX lezen we onder meer:

Alle suppoosten van de neringen zullen zich op het eerste teken van brand, onder de orders van hun respectievelijke dekens, begeven naar het stadhuis, om er de brandemmers op te halen. Dit met uitzondering van de metsers en de dekkers die zich moeten begeven naar de plaats waar de brandladders en -haken opgeborgen zijn, en van daar naar de plaats van de brand.

Eens op de plaats van de brand aangekomen, zullen alle suppoosten en knechten van de neringen zich in rijen opstellen tot aan de dichtste watervoorraadplaats en van hand tot hand de gevulde brandemmers doorgeven.

Wie te laat op de brand was (dat wil zeggen, nadat de brandspuit operationeel was), kreeg een boete van 30 stuivers, wie niet opdaagde een boete van 2 ponden. 

Ook de paters-kapucijnen werden ingeschakeld met de specifieke taak om zo veel mogelijk meubels en huisraad uit de brand te redden en in bewaring te nemen.

Op 7 augustus 1838 schrijven een 40-tal vooraanstaanden uit de stad een brief aan het college van burgemeester en schepenen waarbij zij hun diensten aanbieden als vrijwillige brandweerman. Het stadsmagistraat heeft hierop onmiddellijk gereageerd en in de gemeenteraadszitting van 4 december 1838 werd een vrijwilligers-pompierskorps te Menen op gericht met een bezetting van 36 mannen. De eerste bevelhebber werd luitenant Augustin Valcke.